Kwartels houden: praktische gidsen

Broeden, voeren, legproductie, huisvesting en de winter — praktische gidsen voor het houden van kwartels, met cijfers als werkbare marges in plaats van verzonnen precisie.

Stalklimaat voor kwartels — warmte, frisse lucht en tocht

Twintig tot tweeëntwintig graden, frisse lucht zonder tocht en een blik op de rug van de vogels — met temperatuurgrenzen, luchthoeveelheden en het zekerste vroege signaal.

Kwartels leggen het best bij twintig tot tweeëntwintig graden. Daalt de temperatuur tot zestien graden, dan gaat de legproductie omlaag; onder tien graden stopt de leg helemaal. Even belangrijk als de warmte is de lucht: frisse lucht moet erin, vocht en ammoniak moeten eruit — en dat allemaal zonder dat er tocht ontstaat. Kwartels zijn uitgesproken gevoelig voor tocht, en ze verraden die eerder dan welk meetinstrument ook.

De temperatuur

TemperatuurWat er met de legproductie gebeurt
20–22 °Chet bereik waarin de groep het best legt
rond 16 °Cde productie van de hennen daalt
onder 10 °Cde leg stopt

Deze waarden gelden voor de leggroep, niet voor de opfok. Kuikens hebben de eerste weken duidelijk meer warmte nodig, en dan plaatselijk onder de warmtebron, niet in de hele ruimte.

Belangrijk is welke conclusies u eruit trekt. Een korte koude dag kost niets; een hok dat wekenlang op twaalf graden staat, kost de legproductie van de winter. Heeft u geen verwarmde ruimte, werk dan eerst aan isolatie en windbescherming voordat u aan verwarming denkt. Een droog, tochtvrij hok houdt uit zichzelf zijn temperatuur beter vast dan een tochtig hok waarin een kachel tegen een open deur in stookt.

En de tweede conclusie: bij een koele huisvesting is een legpauze in de winter normaal en geen teken van ziekte. Wilt u die pauze vermijden, dan heeft u warmte ÉN licht nodig; één van beide is niet genoeg.

Frisse lucht

Er moet voortdurend frisse lucht binnenkomen. Als richtwaarde geldt minstens anderhalve kubieke meter per uur in het koude seizoen en vijf kubieke meter per uur in het warme. Dat verschil is geen tegenspraak, maar het antwoord op twee verschillende taken. In de winter gaat het erom vocht en ammoniak af te voeren zonder de warmte mee te nemen; in de zomer gaat het erom de warmte zelf af te voeren.

Wat de lucht moet afvoeren, ontstaat in het hok zelf: vocht uit de adem, vocht uit de mest en ammoniak uit mest die wordt afgebroken. Alle drie verzamelen zich bij de bodem en in het strooisel, en alle drie worden meegenomen door droge lucht die langzaam beweegt. Een hok dat in uw neus prikt als u de deur opent, heeft geen ammoniakprobleem — het heeft een ventilatieprobleem.

Tocht en het vroege waarschuwingsteken

Hier volgt de nuttigste praktische tip bij het houden van kwartels, en hij kost niets:

Veerverlies op de rug is het eerste teken van tocht in het hok.

Niet hoesten, geen productiedaling — de rug. Kijkt u daar regelmatig naar, dan merkt u het probleem op zolang het nog maar een kier is. Kale plekken op de rug hebben weliswaar ook andere oorzaken — verenpikken, de rui, een te ijverige haan — maar tocht is de oorzaak die u het snelst kunt nagaan. Rook of een vel papier op vogelhoogte laat binnen een minuut zien of daar lucht langs trekt.

De plekken waar tocht ontstaat, zijn bijna altijd dezelfde: de spleet onder de deur, de naad langs het raam, de ruimte tussen de muur en de rij kooien, het open ventilatierooster vlak achter de vogels. Een lat, een gordijn van plasticfolie of een verschoven rij kooien lost het meestal op.

Dichtheid en rust

Hoe dicht de vogels op elkaar zitten, hoort bij het klimaat. Elke vogel geeft warmte en vocht af, en hoe voller het wordt, hoe meer de lucht moet afvoeren. Bij huisvesting in kooien geldt ongeveer 120 tot 130 vierkante centimeter vloeroppervlak per vogel als richtwaarde.

Beide kanten hebben hun prijs. Te krap leidt tot verenpikken, het meest voorkomende gevolg van een te hoge bezettingsdichtheid. Te ruim is evenmin goed: de vogels zijn onrustiger en eten meer, zonder dat er meer eieren komen. Heeft u dus ruimte over, verdeel die dan niet royaal over een paar vogels. Houd u aan de richtwaarde en gebruik de rest voor een tweede afdeling.

Water

Water hoort bij het klimaat, ook al wordt het zelden zo ingedeeld. Te weinig water verlaagt de legproductie, en bij een aanhoudend tekort stopt de leg. In de zomer drinken de vogels duidelijk meer, en een drinkbak die in april genoeg was, is in juli niet meer genoeg.

Controleer daarom twee dingen: of er water is, en of alle vogels erbij kunnen. In een groep bepalen een paar vogels wie erbij mag. De vogels lager in de rangorde drinken als laatste, en te weinig als er maar één drinkplaats is. Meerdere drinkplaatsen zijn goedkoper dan een terugval in de productie.

De hoogte van de kooien

Eén punt speelt mee in het klimaat, al klinkt het als inrichting: kwartels vliegen bij schrik recht omhoog. In een hoge kooi krijgen ze daarbij vaart en verwonden ze hun kop. Daarom blijft de kooihoogte onder de twintig centimeter, en vijftien geldt als het optimum — niet om ruimte te sparen, maar zodat de vlucht omhoog te kort is om letsel te veroorzaken.

Dat verklaart ook waarom rust in het hok een gezondheidskwestie is: voor deze vogel is elke schrik een mogelijke klap. Laat merken dat u eraan komt als u binnengaat — licht aan, stem, en pas dan de deur.

De cijfers en richtwaarden in dit artikel volgen de vakliteratuur over de kwartelhouderij — Stele, Osmanjan, Afanasjev, “Eierproductie in de pluimveehouderij”, hoofdstuk over de technologie van de kwarteleierproductie.

Veelgestelde vragen

Welke temperatuur hebben legkwartels nodig?
Twintig tot tweeëntwintig graden is het bereik waarin de groep het best legt. Rond zestien graden daalt de productie, en onder tien graden stopt de leg helemaal. Een korte koude dag kost niets; een hok dat wekenlang op twaalf graden staat, kost de legproductie van de winter.
Waaraan herkent u tocht in het hok?
Aan de rug van de vogels: veerverlies op de rug is het eerste teken van tocht — niet hoesten, geen productiedaling. U controleert het in een minuut met rook of een vel papier op vogelhoogte. De gebruikelijke plekken zijn de spleet onder de deur, de naad langs het raam, de ruimte tussen de muur en de rij kooien, en een ventilatierooster vlak achter de vogels.
Hoe ventileert u op de juiste manier?
Luchtinlaat laag en ver van de vogels, luchtuitlaat hoog, en nooit twee openingen tegenover elkaar op vogelhoogte. Het verschil tussen ventilatie en tocht is de snelheid: lucht die langzaam drijft, voert vocht af, terwijl lucht uit een kier de vogels afkoelt. Als richtwaarde: minstens anderhalve kubieke meter per uur in het koude seizoen en vijf in het warme.
Hoe hoog mag een kwartelkooi zijn?
Lager dan twintig centimeter, en vijftien geldt als het optimum — niet om ruimte te sparen, maar zodat de vlucht omhoog te kort is voor kopletsel. Kwartels vliegen bij schrik recht omhoog. Daarom is rust in het hok een gezondheidskwestie: licht aan, stem, en pas dan de deur.
Waarom leggen de hennen in de winter niet?
Bij een koele huisvesting is een legpauze normaal en geen teken van ziekte. Wilt u die pauze vermijden, dan heeft u warmte ÉN licht nodig — één van beide is niet genoeg.