Kwartels houden: praktische gidsen
Broeden, voeren, legproductie, huisvesting en de winter — praktische gidsen voor het houden van kwartels, met cijfers als werkbare marges in plaats van verzonnen precisie.
Kwartelkuikens opfokken — de eerste vier weken
Warmte, droog strooisel en ondiep water bepalen de eerste weken: temperatuur per week, bezettingsdichtheid, voer- en drinkruimte en verhuizen voordat de leg begint.
Een pas uitgekomen kwartelkuiken weegt zes tot acht gram. Alles wat in de eerste weken misgaat, gaat mis door dat gewicht. Het kuiken koelt snel af, het verdrinkt in een drinkbak die voor een kip ondiep zou zijn, en het verdwijnt door elke kier die breder is dan een duim. Warmte onder de warmtelamp, droog strooisel en ondiep water bepalen daarom meer dan alles wat later komt. Na vier tot zes weken is de moeilijke tijd voorbij. Dan verhuizen de dieren, en wel voordat ze aan de leg gaan.
Aankomst
Kuikens horen binnen twaalf uur na het uitkomen op hun plek. Ze teren in die tijd nog op de dooierzak en hebben niet meteen voer nodig, maar wel warmte. Koopt u dieren aan, houd de reis dan kort. Eendagskuikens zijn gevoelig voor lage temperaturen, en een lange rit in een koele auto kost meer dan de goedkopere leverancier bespaart.
Gebruik voor het vervoer een doos van minstens tien centimeter hoog. Uit een lagere doos springen ze, en eerder dan u zou denken. Een standaarddoos van zestig bij zestig centimeter kunt u in vier vakken verdelen. Honderd kuikens per vak is een getal uit grote bedrijven, voor een hobbyhouder dus minder. Dek de doos in de auto af, zodat er geen tocht naar binnen komt.
Het loont om goed te kijken wanneer u de kuikens neerzet. Een gezond kuiken staat stevig op zijn pootjes, beweegt vlot en heeft het gewicht dat typisch is voor zijn ras. Neemt u dieren over die zwak op de pootjes staan, dan neemt u werk over dat zelden loont.
Warmte — en wat de kuikens u daarover vertellen
De ruimte wordt verwarmd voordat de kuikens erin gaan, niet daarna. Als richtwaarde geldt een ruimtetemperatuur vanaf 28 graden. Onder de warmtelamp, op bodemhoogte, is het in de eerste week 35 tot 36 graden. Daarna gaat de temperatuur week na week omlaag:

| Week | Onder de warmtelamp, op bodemhoogte |
|---|---|
| 1 | 35–36 °C |
| 2 | 30–32 °C |
| 3 | ongeveer 29 °C |
| vanaf 4 | kamertemperatuur, tochtvrij |
Als warmtebron hebben infraroodlampen zich bewezen. Het gaat niet om het merk, maar erom dat het onder de lamp warm is en ernaast koeler. De kuikens moeten zelf hun plek kunnen kiezen.
Ruimte en strooisel
Op de grond kunt u in de eerste weken tot 150 kuikens per vierkante meter houden. Blijven ze langer dan drie weken in dezelfde afdeling, dan daalt dat aantal naar ongeveer 110. De afdelingen worden gescheiden door wanden die tot ongeveer vijftig centimeter hoogte dicht zijn en daarboven uit gaas bestaan. Het dichte deel onderaan houdt de tocht tegen, het gaas erboven laat lucht door.
Opfok op de grond heeft in de eerste weken een voordeel dat u aan kooien niet ziet. Kuikens van dit formaat bezeren zich als ze uit een kooi vallen, en een deel van de uitval in deze periode komt precies daardoor. Gebruikt u kooien, controleer dan elke opening.
Als strooisel heeft turf zich bewezen, twee centimeter dik, wat neerkomt op ongeveer drie kilogram per vierkante meter. Zaagsel kan ook, maar heeft een nadeel: kuikens pikken het op. Wat er in de krop belandt, bepaalt u beter zelf.
Voer en water
Voor de eerste dagen volstaan platte bakjes van ongeveer dertig bij dertig centimeter. Over het voer gaat een stuk gaas. De kuikens kunnen er met hun snavel doorheen, maar krabben het voer niet uit het bakje. Later nemen voergoten de plaats van de bakjes in, ook met een rooster tegen het krabben. Reken op minstens twee centimeter voerruimte per dier. Wie krapper rekent, kweekt verschillen in de groep.
Bij water zit het gevaar in de diepte. Een kuiken dat erin valt en nat wordt, koelt af, en in een te diepe drinkbak verdrinkt het. Een vacuümdrinkbak heeft zich bewezen: een ondiep schaaltje met een omgekeerde glazen pot erop, en onder de rand een afstandhouder van ongeveer vijf millimeter, zodat er water naloopt. De eerste dagen hoort het water licht verwarmd te zijn.
Drinknippels en drinkbekertjes werken goed, maar de dieren moeten eraan wennen. Als richtwaarde geldt: tot de derde week ongeveer dertig dieren per drinknippel, daarna acht tot tien — hoe groter de dieren, hoe meer ze drinken. Bij drinkgoten is ruim drie millimeter drinkruimte per dier een bruikbaar getal. Alle open drinkbakken moeten dagelijks worden schoongemaakt, want er komt altijd strooisel in.
Licht
De eerste dagen brandt het licht de klok rond: de kuikens moeten op elk moment voer en water kunnen vinden. Daarna gaat het terug naar tien tot twaalf uur per dag, en zo blijft het tot ongeveer de vijfde week. In kooien, waar voer en water dichterbij staan, kan die overstap al vanaf de tweede levensweek.
De reden voor de korte dagen is de latere legproductie. Jonge dieren die te vroeg te veel licht krijgen, gaan te vroeg aan de leg, voordat hun lichaam zover is. Pas de volwassen groep krijgt veertien lichturen of meer.
De verhuizing
Kwartels gaan aan de leg op een leeftijd van ongeveer 36 tot 46 dagen. De verhuizing naar het hok van de volwassen dieren hoort daarvoor. Een hen die midden in een verhuizing begint te leggen, legt onrustig, en de eerste eieren komen terecht waar niemand ze zoekt. Stem de datum dus af op de leeftijd van de dieren, niet op het vrije weekend.
Vanaf dan geldt wat voor volwassen dieren geldt: rustige, tochtvrije lucht, droog strooisel, veertien lichturen. De moeilijke weken liggen dan achter u.
De getallen en richtwaarden in dit artikel volgen de vakliteratuur over het houden van kwartels — Stele, Osmanjan, Afanasjev, “Eierproductie in de pluimveehouderij”, het hoofdstuk over de technologie van de productie van kwarteleieren.
Veelgestelde vragen
- Hoe warm moeten kwartelkuikens het hebben?
- De ruimte wordt voorverwarmd voordat de kuikens erin gaan — vanaf ongeveer 28 graden. Onder de warmtelamp, gemeten op bodemhoogte, is het in de eerste week 35 tot 36 graden, in de tweede 30 tot 32, in de derde ongeveer 29. Vanaf de vierde week volstaat een tochtvrije kamertemperatuur. Waar het om gaat, is het verloop: warm onder de lamp, koeler ernaast, zodat de kuikens zelf hun plek kunnen kiezen.
- Hoe ziet u of de temperatuur goed is?
- Aan de dieren. Kruipen ze dicht opeen onder de lamp, dan is het te koud. Zitten ze ver weg aan de rand, dan is het te warm. Vormen ze hoopjes aan de rand, dan tocht het — en in de eerste week is tocht gevaarlijker dan twee graden afwijking.
- Hoe voorkomt u dat kuikens in de drinkbak verdrinken?
- Met ondiep water: een vacuümdrinkbak van een ondiep schaaltje met een omgekeerde glazen pot en een afstandhouder van ongeveer vijf millimeter, of een schoteltje vol knikkers. Een kuiken dat erin valt en nat wordt, koelt af. De eerste dagen hoort het water licht verwarmd te zijn.
- Hoeveel licht hebben kuikens nodig?
- De eerste dagen de klok rond, zodat ze op elk moment voer en water vinden. Daarna tien tot twaalf uur per dag, tot ongeveer de vijfde week. De korte dagen zijn bewust zo gekozen: jonge dieren die te vroeg te veel licht krijgen, gaan aan de leg voordat hun lichaam zover is.
- Wanneer verhuizen kwartelkuikens naar de volwassen dieren?
- Voordat de leg begint, en dat is ongeveer tussen dag 36 en dag 46. Een hen die midden in een verhuizing begint te leggen, legt onrustig, en de eerste eieren komen terecht waar niemand ze zoekt. Stem de datum af op de leeftijd van de dieren, niet op het vrije weekend.